ECLI:NL:HR:2018:823

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2018
Publicatiedatum
4 juni 2018
Zaaknummer
17/00948
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRMArt. 302 Sr
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in poging zware mishandeling met voorwaardelijk opzet

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake poging tot zware mishandeling door het toebrengen van een klap tegen het oog en een trap tegen de zij in een café te Etten-Leur.

De Hoge Raad beoordeelt twee middelen: het eerste middel wordt verworpen zonder nadere motivering omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproept. Het tweede middel klaagt over een vermeende overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase vanwege te late inzending van stukken door het hof.

De Hoge Raad oordeelt dat de zaak binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep is afgedaan, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn voldoende wordt gecompenseerd en er geen sprake is van een schending van het recht op een redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro.

Daarom wordt het beroep verworpen en blijft het arrest van het hof in stand. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 5 juni 2018.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

5 juni 2018
Strafkamer
nr. S 17/00948
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 februari 2017, nummer 20/003910-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Nu de Hoge Raad de zaak binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep afdoet, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan – wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie – niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
3.3.
Het middel faalt derhalve.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 juni 2018.