Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
23 januari 2018.
Hoge Raad
De verdachte had wegens ernstige artrose en medicatie verzocht om uitstel van de zitting op 23 november 2015. De raadsman van de verdachte had het hof hierover geïnformeerd en verzocht om aanhouding van de zaak. Hoewel het hof aanvankelijk het verzoek afwees en overging tot inhoudelijke behandeling, bleek later dat een medewerker van het hof onterecht aan de raadsman had medegedeeld dat de zaak op die datum niet inhoudelijk zou worden behandeld en dat een nieuwe oproeping zou volgen.
Hierdoor mochten verdachte en haar raadsman er gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij niet hoefden te verschijnen. Het hof verleende vervolgens ten onrechte verstek. De Hoge Raad oordeelt dat deze onjuiste toezegging door het hof heeft geleid tot een onrechtmatige verstekverlening.
De Hoge Raad verklaart het middel gegrond, vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor nieuwe berechting en afdoening door het Gerechtshof Den Haag. Hiermee wordt het recht op een eerlijk proces en hoor en wederhoor hersteld.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting wegens onterechte verstekverlening.