ECLI:NL:HR:2018:817

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 juni 2018
Publicatiedatum
31 mei 2018
Zaaknummer
17/02822
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie wegens niet-betaling griffierecht in omzetbelastingzaak

Belanghebbende, een B.V., had tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch beroep in cassatie ingesteld inzake een naheffingsaanslag omzetbelasting over 2006, inclusief boete en heffingsrente. De Hoge Raad stelde vast dat het griffierecht niet was betaald ondanks herhaalde aanmaningen en een adresverificatie.

De griffier had belanghebbende per aangetekende brief gewezen op de betaling van griffierecht binnen vier weken. Deze brief werd wegens onbestelbaarheid retour gezonden, waarna het stuk opnieuw per gewone post naar een geverifieerd adres werd verzonden. Ook na deze verzending bleef betaling uit. Belanghebbende werd vervolgens in de gelegenheid gesteld een verklaring te geven voor de niet-betaling, maar de aangevoerde redenen werden niet geaccepteerd.

Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb, verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het arrest werd op 1 juni 2018 uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

1 juni 2018
nr. 17/02822
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
B.V. [X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof 's-Hertogenboschvan 4 mei 2017, nr. 13/00311, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 12/3930) betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 27 juli 2017 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is wegens onbestelbaarheid teruggezonden aan de Hoge Raad, waarna adresverificatie heeft plaatsgevonden en het stuk bij gewone brief van 17 augustus 2017 is verzonden naar het adres van belanghebbende. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende, laatstelijk bij aangetekend verzonden brief van 14 november 2017, in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Hetgeen belanghebbende in haar brief van 8 december 2017 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2018.