Belanghebbende had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2005.
Belanghebbende deed een beroep op betalingsonmacht voor het griffierecht en leverde daartoe een verklaring en bewijsstukken aan. De Hoge Raad wees dit beroep af omdat niet aan de criteria voor betalingsonmacht was voldaan.
Na meerdere aanmaningen en een termijn van vier weken om het griffierecht te voldoen, betaalde belanghebbende niet. Ook maakte hij geen gebruik van de gelegenheid om uit te leggen waarom niet betaald was.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.