Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
22 mei 2018.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte verworpen tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag in een mishandelingszaak. Het geschil betrof de vraag of het hof, in combinatie met artikel 301 lid 4 Sv Pro, het politierapport als bewijs mocht gebruiken.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof had voldaan aan de vereisten van artikel 301 lid 4 juncto Pro artikel 417 Sv Pro doordat de voorzitter tijdens het onderzoek ter terechtzitting een korte inhoud van het voorbereidend onderzoek en overige stukken had medegedeeld. De verdediging had bovendien verklaard geen behoefte te hebben aan het verder voorhouden van de stukken uit het dossier.
Daarmee ontbrak het aan een in rechte te respecteren belang van de verdediging om te klagen dat de stukken niet volledig waren voorgelezen of dat de korte inhoud daarvan niet was medegedeeld. Het middel kon daarom niet tot cassatie leiden en de Hoge Raad zag geen aanleiding tot nadere motivering. Het beroep werd derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof heeft de bewijsregels correct toegepast.