Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
15 mei 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een herzieningsverzoek tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de aanvrager, een arts, werd veroordeeld voor ontucht gepleegd met een patiënt in het ziekenhuis. De aanvrager stelde dat nieuwe deskundigenrapporten, die wijzen op mogelijke geheugenstoornissen en pseudo-herinneringen bij de aangeefster door een hersenschudding, het bewijs ondermijnen en tot vrijspraak zouden moeten leiden.
De Hoge Raad herhaalt dat nieuw of gewijzigd deskundigeninzicht onder omstandigheden als een 'gegeven' in de zin van art. 457 Sv Pro kan gelden, mits het ernstige vermoedens wekt dat het onderzoek anders zou zijn verlopen. Het hof had echter de gestelde gevolgen van de hersenschudding onderzocht en deze niet aannemelijk geacht. De rapporten stelden slechts een mogelijkheid van misinterpretatie of pseudo-herinneringen vast, wat niet voldoende is voor het vereiste ernstige vermoeden.
De Hoge Raad concludeert dat de rapporten noch afzonderlijk noch gezamenlijk het oordeel van het hof zouden hebben gewijzigd. Daarmee ontbreekt de grond voor herziening en wordt het verzoek afgewezen. Dit arrest bevestigt de strenge criteria voor herziening op basis van nieuw deskundigeninzicht.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het herzieningsverzoek af wegens onvoldoende ernstig vermoeden dat nieuw deskundigeninzicht tot vrijspraak zou leiden.