Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 november 2017, betreffende de beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslagen onroerendezaakbelasting voor het jaar 2014 betreffende een onroerende zaak te [Z]. Eerder had de Hoge Raad bij arrest van 28 oktober 2016 de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.
In het tweede cassatieberoep heeft belanghebbende verschillende klachten aangevoerd, maar deze konden niet leiden tot cassatie. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten geen aanleiding geven tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling, zodat nadere motivering achterwege kon blijven.
De Hoge Raad wees tevens proceskostenveroordeling af en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in stand.