Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
23 januari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte in een militaire strafzaak over het meermalen plegen van gewoontewitwassen, zoals omschreven in art. 420bis.1.b en 420ter Sr. Het hof Arnhem-Leeuwarden had eerder een arrest gewezen waarin onder meer werd vastgesteld dat het aangetroffen geld in de kluis van verdachte afkomstig was uit enig misdrijf en dat sprake was van een gewoonte.
De verdachte stelde zich in cassatie op het standpunt dat het bewijs onvoldoende was om de gewoonte vast te stellen en dat het geld niet overtuigend als crimineel verkregen kon worden aangemerkt. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep te verwerpen.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat er geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het beroep werd derhalve verworpen.
Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.T. Boerlage, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 23 januari 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor gewoontewitwassen.