ECLI:NL:HR:2018:679

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 mei 2018
Publicatiedatum
3 mei 2018
Zaaknummer
17/00964
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt onaanvaardbaarheid beroep op exoneratieclausule wegens opzet en redelijkheid

In deze zaak stond centraal de vraag of het beroep op een exoneratieclausule in een koopovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is vanwege opzet of bewuste roekeloosheid. Daarnaast werd beoordeeld of de contractuele rente onredelijk bezwarend is of onaanvaardbaar volgens redelijkheid en billijkheid.

Westplant Limburg B.V. (WPL) had cassatieberoep ingesteld tegen eerdere arresten van het gerechtshof Den Haag, waarbij ook een curator in faillissement van een Duitse partij betrokken was. De Hoge Raad verwees naar eerdere vonnissen en arresten en behandelde het cassatieberoep op basis van artikel 81 lid 1 RO Pro.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat het beroep op de exoneratieclausule in deze omstandigheden onaanvaardbaar is. Tevens werd bevestigd dat de contractuele rente onredelijk bezwarend is. Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep werd niet behandeld omdat het principale beroep faalde.

De Hoge Raad veroordeelde WPL in de kosten van het cassatiegeding en wees het beroep af, waarmee de eerdere uitspraken van het gerechtshof werden bekrachtigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het beroep op de exoneratieclausule onaanvaardbaar is en de contractuele rente onredelijk bezwarend.

Uitspraak

4 mei 2018
Eerste Kamer
17/00964
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
WESTPLANT LIMBURG B.V.,
gevestigd te Venlo,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: aanvankelijk mr. M.E. Gelpke en mr. R.T. Wiegerink, thans mr. R.T. Wiegerink,
t e g e n
mr. S. HASPEL, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [betrokkene 1] handelend onder de naam Kasa,
wonende te [woonplaats], Duitsland,
VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. K. Teuben.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als WPL en de curator.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 313537/HA ZA 08-1989 van de rechtbank Den Haag van 24 september 2008, 15 juli 2009 en 17 maart 2010;
b. de arresten in de zaak 200.070.122/01 van het gerechtshof Den Haag van 10 april 2012 en 15 november 2016.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft WPL beroep in cassatie ingesteld. De curator heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 15 november 2016. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het principaal en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep.
De advocaat van WPL heeft bij brief van 30 maart 2018 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt WPL in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 2.023,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
4 mei 2018.