Uitspraak
[X]te
[Z], België (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 21 november 2017, nr. SGR 17/4026 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 27 juli 2017.
Hoge Raad
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag behandeld. Het cassatieberoep betrof het verzet tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad heeft op basis van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de Hoge Raad het beroep niet inhoudelijk heeft behandeld en het vonnis van de lagere rechter in stand blijft.
De uitspraak werd gedaan door de raadsheer Wortel als voorzitter, samen met de raadsheren Groeneveld en Beukers-van Dooren, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2018. De zaak betreft een bestuursrechtelijke en belastingrechtelijke context.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en geen kans op succes.