Belanghebbende exploiteert een aannemersbedrijf met hoveniers- en civieltechnische werkzaamheden. De Inspecteur had belanghebbende ingedeeld in de sector Bouwbedrijf op basis van omzetgegevens, maar het Hof stelde dat alleen de werkzaamheden waarvoor daadwerkelijk premieplichtig loon is betaald relevant zijn en plaatste belanghebbende in de sector Agrarisch bedrijf.
De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen deze uitspraak, stellende dat ook werkzaamheden van derden onder verantwoordelijkheid van belanghebbende meegewogen moeten worden bij de sectorindeling. De Hoge Raad oordeelt dat artikel 96, lid 2, Wfsv bepaalt dat voor aansluiting bij een sectorfonds uitsluitend de werkzaamheden meetellen waarvoor de werkgever zelf het grootste bedrag aan premieplichtig loon betaalt of vermoedelijk zal betalen.
De Hoge Raad bevestigt daarmee het oordeel van het Hof en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten. Dit arrest verduidelijkt de toepassing van sectorindeling bij werknemersverzekeringen en benadrukt het belang van premieplichtig loon als maatstaf.