Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
20 maart 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitleveringsvonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De Verenigde Staten hadden een verzoek tot uitlevering ingediend van de opgeëiste persoon, geboren in 1988. De verdediging stelde een middel van cassatie voor, onder meer over het ontbreken van motivering door het hof omtrent de naleving van artikel 9.3.b van het uitleveringsverdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad overwoog dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat het middel geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproept.
De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde daarmee het uitleveringsvonnis. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 20 maart 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het uitleveringsvonnis bevestigd.