Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
13 maart 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake poging tot uitlokking en voorbereiding van medeplegen van zware mishandeling met voorbedachte raad. De mishandeling betrof een injectie met een combinatie van insuline en cocaïne, gepleegd door een ex-vriendin van de verdachte.
De verdediging heeft een middel van cassatie ingediend, maar de Hoge Raad oordeelt dat dit middel niet leidt tot cassatie. Er is geen noodzaak tot nadere motivering omdat het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad past artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering toe en wijst het beroep af. Het arrest van het hof blijft daarmee in stand. Er is niet inhoudelijk beslist op het bewijsverweer van de verdediging.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.