Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
9 maart 2018.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de moeder cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag van 5 juli 2017, waarin het hof een regeling betreffende het gezamenlijk gezag en de verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders bevestigde.
De vader heeft geen verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal heeft geadviseerd het cassatieberoep te verwerpen, waarop de advocaat van de moeder heeft gereageerd. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is, omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
De Hoge Raad wijst het beroep af en bevestigt daarmee de beslissing van het hof. Hiermee blijft de regeling inzake het gezamenlijk gezag en de verdeling van zorg- en opvoedingstaken ongewijzigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de beschikking van het hof bevestigd.