ECLI:NL:HR:2018:28

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 januari 2018
Publicatiedatum
10 januari 2018
Zaaknummer
16/04245
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring van verdachte wegens niet tijdig indienen cassatiemiddelen

De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, maar heeft geen middelen van cassatie door een raadsman binnen de wettelijke termijn ingediend. De Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De Hoge Raad oordeelt dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, Wetboek van Strafvordering niet is nageleefd, waardoor de verdachte niet in het beroep kan worden ontvangen.

Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers. De uitspraak vond plaats op 9 januari 2018 tijdens een openbare terechtzitting. Er zijn geen inhoudelijke middelen behandeld omdat deze niet zijn ingediend.

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep, waarmee het cassatieberoep wordt afgewezen zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen door een raadsman.

Uitspraak

9 januari 2018
Strafkamer
nr. S 16/04245
AJ/CB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 26 juli 2016, nummer 23/001521-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 januari 2018.