Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
9 januari 2018.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, maar heeft geen middelen van cassatie door een raadsman binnen de wettelijke termijn ingediend. De Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De Hoge Raad oordeelt dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, Wetboek van Strafvordering niet is nageleefd, waardoor de verdachte niet in het beroep kan worden ontvangen.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers. De uitspraak vond plaats op 9 januari 2018 tijdens een openbare terechtzitting. Er zijn geen inhoudelijke middelen behandeld omdat deze niet zijn ingediend.
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep, waarmee het cassatieberoep wordt afgewezen zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen door een raadsman.