Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
20 november 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor poging diefstal van benzine en diefstal van kentekenplaten. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal adviseerde vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, met vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel van de verdachte niet tot cassatie kon leiden, omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte. Het tweede middel klaagde terecht over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase doordat het hof de stukken te laat had ingezonden.
Hierdoor werd de opgelegde gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, verminderd tot veertien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met dezelfde proeftijd. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd op 20 november 2018 gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot veertien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.