Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
20 november 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 maart 2017. Verdachte werd betrokken bij feitelijke leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk, waarbij aanzienlijke bedragen buiten de failliete boedel werden gehouden.
Namens verdachte diende advocaat S.F.W. van 't Hullenaar een middel van cassatie in. De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien. Het beroep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.