Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
20 november 2018.
Hoge Raad
Verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het opzettelijk vervoeren van ruim vijf kilo amfetamine in een auto, in strijd met artikel 2, onderdeel B, van de Opiumwet. Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de gewijzigde samenstelling van het hof, verzoeken tot nader onderzoek, bewijsuitsluiting wegens onrechtmatige inzet van dwangmiddelen en de vraag of sprake was van opzet.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat de aangevoerde middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest van het hof bleef daarmee in stand en het beroep van verdachte werd verworpen. De Hoge Raad bevestigde hiermee de strafrechtelijke aansprakelijkheid van verdachte voor het vervoeren van de drugs.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president van de Hoge Raad, W.A.M. van Schendel, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, op 20 november 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en de veroordeling voor het opzettelijk vervoeren van ruim vijf kilo amfetamine blijft in stand.