Uitspraak
[X] Ltdte
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 7 mei 2018, nr. SGR 17/6983 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 7 februari 2018.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht en een termijn gesteld voor betaling. Deze aanmaningen zijn wegens onbestelbaarheid teruggezonden en vervolgens per gewone brief verzonden naar het opgegeven adres.
Ondanks deze inspanningen is het griffierecht niet voldaan en heeft belanghebbende niet gereageerd op de verzoeken om opheldering. Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2018.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.