Belanghebbende werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2008 tot en met 2011, gebaseerd op gegevens verkregen tijdens een strafrechtelijk onderzoek door de FIOD. Deze gegevens betroffen onder meer administratieve bescheiden en een computer die tijdens een huiszoeking in beslag waren genomen.
Belanghebbende voerde aan dat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de aanslagen geen schriftelijke toestemming van de officier van justitie had om de strafvorderlijke gegevens te gebruiken, en dat deze gegevens daarom als bewijs uitgesloten moesten worden. Het hof verwierp deze stelling en oordeelde dat de gegevens rechtmatig aan de inspecteur waren verstrekt.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde vast dat de wet geen eis stelt dat de toestemming schriftelijk moet zijn vastgelegd. De relevante wettelijke bepalingen bieden een grondslag voor het gebruik van strafvorderlijke gegevens door de inspecteur zonder dat een aparte schriftelijke toestemming vereist is. Overleg met de officier van justitie kan plaatsvinden, maar is niet noodzakelijk voor de toelaatbaarheid van het gebruik van deze gegevens voor belastingheffing.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees de vordering van belanghebbende af. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.