ECLI:NL:HR:2018:2384

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2018
Publicatiedatum
20 december 2018
Zaaknummer
18/00406
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 9 RvArt. 820 lid 4 RvArt. 1:87 BW
Verwijzingen
8 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter bij internationale echtscheiding en nevenvordering renpaarden

In deze zaak stond de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd is om te oordelen over een internationale echtscheiding en de nevenvordering tot afgifte van renpaarden. De zaak betrof een geschil tussen een man en een vrouw woonachtig in Nederland en Oostenrijk. De rechtbank en het gerechtshof Den Haag hadden eerder de Nederlandse rechter bevoegd verklaard.

De man stelde cassatieberoep in tegen de beschikking van het hof, terwijl de vrouw een deels voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep instelde. De Hoge Raad verwees naar eerdere uitspraken en concludeerde dat het cassatieberoep van de man niet tot cassatie kon leiden. Het incidentele beroep van de vrouw werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het na de cassatietermijn was ingesteld en niet tegen de echtscheiding zelf was gericht.

De Hoge Raad bevestigde dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van stilzwijgende aanvaarding van rechtsmacht volgens art. 9 Rv Pro en art. 81 lid 1 RO Pro niet ter discussie stond. Daarmee werd de Nederlandse rechter bevoegd geacht ook over de nevenvordering tot afgifte van renpaarden te oordelen. De uitspraak werd in het openbaar gedaan door raadsheer Polak op 21 december 2018.

Uitkomst: Het incidentele cassatieberoep van de vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard en het principale cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de Nederlandse rechter bevoegd blijft.

Uitspraak

21 december 2018
Eerste Kamer
18/00406
TT/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. M.E. Bruning,
t e g e n
[de vrouw],
wonende te [woonplaats], Oostenrijk,
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. J. den Hoed.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikkingen in de zaken C/09/497234 en C/09/513197 van de rechtbank Den Haag van 16 juni 2016 en 18 oktober 2016;
b. de beschikking in de zaken 200.199.365/01 en 200.203.479/01 van het gerechtshof Den Haag van 25 oktober 2017.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het beroep van de man te verwerpen. De man heeft verzocht onderdeel I van het incidenteel cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren en het beroep voor het overige te verwerpen. De vrouw heeft verzocht het ontvankelijkheidsverweer te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt in het principaal cassatieberoep tot verwerping en in het onvoorwaardelijk ingestelde incidenteel cassatieberoep tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in het incidenteel beroep.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1
Nu het middel in het principale beroep niet tot cassatie leidt, komt het incidentele beroep niet aan de orde, voor zover het voorwaardelijk is ingesteld.
4.2.1
Voor zover het incidentele beroep onvoorwaardelijk is ingesteld, keert het zich tegen het in de beslissing van het hof besloten liggende oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt met betrekking tot de door de man verzochte echtscheiding.
4.2.2
Gelet op art. 820 lid 4 Rv Pro, kan de vrouw in zoverre in haar beroep niet worden ontvangen, nu het beroep van de man niet tegen de uitgesproken echtscheiding is gericht en het beroep van de vrouw is ingesteld op 20 april 2018, derhalve na het verstrijken van de cassatietermijn. Dat de klachten van het door de vrouw voorgestelde middel slechts zien op de vraag naar de rechtsmacht van de Nederlandse rechter met betrekking tot de echtscheiding, maakt dat niet anders.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
in het principale beroep:
verwerpt het beroep;
in het onvoorwaardelijk ingestelde incidentele beroep:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja- van den Broek, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
21 december 2018.