Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
18 december 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden waarin ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen. Het hof had bij de schatting van het voordeel oogstperiodes betrokken die plaatsvonden vóór de bewezenverklaarde feiten. Betrokkene stelde dat deze schatting onvoldoende was gemotiveerd en niet uitsluitend gebaseerd was op het bewezenverklaarde handelen.
De Hoge Raad heeft het middel van cassatie beoordeeld en geoordeeld dat het beroep niet tot cassatie kan leiden. De Hoge Raad verduidelijkte dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook kan worden gebaseerd op andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan, naast het bewezenverklaarde handelen. Dit betekent dat het hof een verbeterde lezing van zijn uitspraak heeft gegeven.
De Hoge Raad achtte geen nadere motivering nodig omdat het middel geen rechtsvragen bevat die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep is derhalve verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.