ECLI:NL:HR:2018:2303

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 december 2018
Publicatiedatum
13 december 2018
Zaaknummer
18/00463
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijdering muurschildering geweigerd wegens misbruik van bevoegdheid door buren

In deze zaak vorderde de eigenaar van een schuur de verwijdering van een muurschildering die door de buren was aangebracht. De eigenaar stelde dat sprake was van een onrechtmatige daad en misbruik van bevoegdheid, en baseerde zich op artikel 3:13 BW Pro. De lagere rechterlijke instanties, waaronder de rechtbank Zeeland-West-Brabant en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, behandelden het geschil en oordeelden over de vordering.

De eigenaar stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof, maar de Hoge Raad wees het cassatieberoep af. De Hoge Raad overwoog dat de klachten van de eigenaar niet tot cassatie konden leiden en dat er geen aanleiding was tot nadere motivering, mede gelet op artikel 81 lid 1 RO Pro. Hiermee werd het arrest van het hof bekrachtigd.

De Hoge Raad veroordeelde de eigenaar tevens in de proceskosten van het cassatiegeding. De uitspraak bevestigt dat het recht op verwijdering van een muurschildering beperkt kan zijn indien sprake is van misbruik van bevoegdheid door de verzoeker.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering tot verwijdering van de muurschildering wordt niet toegewezen.

Uitspraak

14 december 2018
Eerste Kamer
18/00463
TT/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij,
t e g e n
1. [verweerder 1],
2. [verweerster 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. D.M. de Knijff.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerders]

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/02/275917/HA ZA 14-48 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 maart 2014 en
14 oktober 2015;
b. het arrest in de zaak 200.184.020/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 oktober 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor [eiser] mede door mr. J.M. Moorman.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 400,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
14 december 2018.