Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
11 december 2018.
Hoge Raad
De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 juni 2017, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen. De klachten richtten zich op de afwijking van het hof ten aanzien van de opbrengst van een oogst van 80 kilogram natte hennep en het oordeel over de overschrijding van de redelijke termijn.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep, waarop de raadsman schriftelijk reageerde. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering achterwege kon blijven, omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
Het arrest werd op 11 december 2018 gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren A.J.A. van Dorst en M.T. Boerlage. Het beroep werd verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontnemingsvordering.