Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
20 februari 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof bewezenverklaard dat hij op 1 mei 2014 een gestolen laptop in bezit had terwijl hij wist dat deze van misdrijf afkomstig was. Het bewijs steunde onder meer op een aangifte van diefstal, een doorzoeking waarbij de laptop werd aangetroffen, en een verklaring van de verdachte dat hij de laptop ongeveer acht maanden in bezit had, terwijl de laptop vijf maanden eerder was gestolen.
Het hof achtte de verklaring van de verdachte kennelijk leugenachtig en concludeerde dat hij van meet af aan wist dat de laptop gestolen was. De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat een kennelijk leugenachtige verklaring alleen als bewijs mag dienen indien deze voldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd en dat de bewezenverklaring niet begrijpelijk is gegeven de bewijsvoering. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het betreft de bewezenverklaring en de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.