Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
4 december 2018.
Hoge Raad
De betrokkene heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 10 februari 2017, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen wegens deelname aan een criminele organisatie die grootschalige telecomfraude pleegde.
De Hoge Raad overweegt ambtshalve dat het hof terecht een korting toepaste wegens overschrijding van de redelijke termijn in de feitelijke aanleg. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat een bedrag op een tussenrekening niet mag worden betrokken bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat dit bedrag niet ten bate van de betrokkene is gekomen.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad volgt dit advies. De middelen van cassatie leiden niet tot beantwoording van rechtsvragen die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling zijn, zodat nadere motivering achterwege blijft.
Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en raadsheren Buruma en van Strien, en uitgesproken op 4 december 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontnemingsvordering wegens deelname aan telecomfraude.