Belanghebbende, een arts en tandarts in opleiding tot kaakchirurg, verrichtte in 2012 naast haar dienstbetrekking werkzaamheden in een ziekenhuis voor een maatschap. Zij declareerde deze werkzaamheden op naam van de maatschap en ontving 50% van het gedeclareerde bedrag.
Het geschil betrof de vraag of de inkomsten uit deze werkzaamheden winst uit onderneming waren. Het hof oordeelde negatief, stellende dat belanghebbende niet zelfstandig en voor eigen rekening en risico werkte, mede omdat zij geen eigen declaratierecht had en slechts een deel van de opbrengst ontving.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het ontbreken van eigen declaratierecht en het ontvangen van 50% van de opbrengst tot het oordeel leiden dat geen ondernemerschap aanwezig is. Tevens heeft het hof geen oordeel gegeven over de continuïteit van de werkzaamheden en het ondernemersrisico, terwijl het risico van geen inkomsten bij niet-inzet van belang kan zijn.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling met inachtneming van deze overwegingen. De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.