Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Gouda,
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
23 november 2018.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de moeder cassatie ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag waarin een schriftelijke aanwijzing van een gecertificeerde instelling werd bekrachtigd. Deze aanwijzing betrof een beperking van het contact tussen de moeder en haar minderjarige kind, conform artikel 1:265f BW.
De moeder verzocht de Hoge Raad om deze schriftelijke aanwijzing te laten vervallen. De vader en de gecertificeerde instelling traden als verweerders op, waarbij de instelling niet is verschenen in cassatie. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarmee werd het cassatieberoep verworpen en bleef de schriftelijke aanwijzing gehandhaafd. De beschikking van het gerechtshof Den Haag van 28 februari 2018 bleef daarmee in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de schriftelijke aanwijzing met contactbeperking blijft gehandhaafd.