Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
23 november 2018.
Hoge Raad
In deze zaak heeft betrokkene cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 25 mei 2018, waarin een voorwaardelijke machtiging op grond van de Wet Bopz was verleend. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend, maar de plaatsvervangend Procureur-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft de aangevoerde klachten onderzocht en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering was geen nadere motivering vereist, omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van betrokkene verworpen en de beschikking van de rechtbank bevestigd. Hiermee blijft de voorwaardelijke machtiging onder de Wet Bopz in stand zoals door de rechtbank vastgesteld.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de beschikking van de rechtbank inzake de voorwaardelijke machtiging Wet Bopz.