ECLI:NL:HR:2018:2090

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 november 2018
Publicatiedatum
12 november 2018
Zaaknummer
18/00459
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197 SrArt. 66a.7 Vreemdelingenwet 2000Art. 457 SvArt. 472 SvArt. 478 Sv
Verwijzingen
9 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening veroordeling wegens verblijf als ongewenst vreemdeling met licht inreisverbod

De Hoge Raad heeft op 13 november 2018 uitspraak gedaan over een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Amsterdam uit 2014. De aanvrager was veroordeeld voor het als ongewenst verklaarde vreemdeling in Nederland verblijven, op grond van artikel 197 Sr Pro. De aanvraag tot herziening betrof de stelling dat ten tijde van de bewezenverklaarde feiten een licht inreisverbod gold, waarop artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet van toepassing was.

De bestuursrechter had geoordeeld dat het wijzigingsbesluit van 3 oktober 2017 met terugwerkende kracht een licht inreisverbod van twee jaar vanaf 22 mei 2012 had ingesteld. Dit betekende dat het vereiste van kennis of ernstige reden tot vermoeden van een inreisverbod met toepassing van artikel 66a.7 Vw niet was vervuld. De Hoge Raad achtte dit een nieuw gegeven in de zin van artikel 457, eerste lid, aanhef en onder c, Sv, dat tot herziening kan leiden.

Op basis hiervan verklaarde de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond en verwees de zaak terug naar het Hof Den Haag voor een nieuwe behandeling en beslissing over de feiten die betrekking hebben op het verblijf als ongewenst vreemdeling. De Hoge Raad beval tevens de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het eerdere arrest voor zover het de betreffende feiten betreft.

De herziening betreft uitsluitend de bewezenverklaarde feiten onder de genoemde parketnummers en niet de overige veroordelingen. Hiermee wordt de rechtsgang heropend om te beoordelen of de veroordeling in stand kan blijven gegeven het gewijzigde juridische kader omtrent het inreisverbod.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling vanwege het licht inreisverbod.

Uitspraak

13 november 2018
Strafkamer
nr. S 18/00459 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 21 november 2014, nummer 23/001948-14, ingediend door E.C. Gelok, advocaat te Amsterdam, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 1 mei 2014 - de aanvrager ter zake van het onder parketnummer 13-701413-13 onder 1, 2 en 3 en het onder parketnummer 13-701643-14 onder 1 telkens "als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard" en ter zake van het onder parketnummer 13-701643-14 onder 2 "eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt gedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening" veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van voorarrest.

2.De aanvraag tot herziening

2.1.
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De aanvraag heeft uitsluitend betrekking op de veroordeling ter zake van de onder parketnummer 13-701413-13 bewezenverklaarde feiten 1, 2 en 3 en het onder parketnummer 13-701643-14 bewezenverklaarde feit 1.
2.2.
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. Aangevoerd wordt dat uit de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 11 januari 2018 blijkt dat ten tijde van de bewezenverklaarde feiten voor de aanvrager een licht inreisverbod gold voor de duur van twee jaar, waarop art. 66a, zevende lid, Vreemdelingenwet 2000 niet van toepassing was en dat de aanvrager, indien het Hof hiermee bekend was geweest, zou zijn vrijgesproken.

3.De conclusie van de Advocaat-Generaal

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren voor zover de aanvraag betrekking heeft op de onder parketnummer 13-701413-13 bewezenverklaarde feiten 1, 2 en 3, en het onder parketnummer 13-701643-14 bewezenverklaarde feit 1, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 21 november 2014 zal bevelen, en de zaak - voor zover het de genoemde, op artikel 197 Sr Pro toegesneden bewezenverklaringen betreft - zal terugwijzen naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak in zoverre op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan, en de aanvraag voor het overige zal afwijzen.

4.Beoordeling van de aanvraag

4.1.
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv Pro slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
4.2.
Op de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie onder 12 en 13 vermelde gronden moet het in de aanvraag aangevoerde worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv.

5.Slotsom

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat hier sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv, zodat de aanvraag gegrond is en als volgt moet worden beslist.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
beveelt, voor zover nodig, de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld arrest van het Gerechtshof Amsterdam, voor zover de aanvrager daarbij is veroordeeld ter zake van de onder parketnummer 13-701413-13 bewezenverklaarde feiten 1, 2 en 3 en het onder parketnummer 13-701643-14 bewezenverklaarde feit 1;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op de voet van art. 472, tweede lid, Sv wat betreft de onder parketnummer 13-701413-13 bewezenverklaarde feiten 1, 2 en 3 en het onder parketnummer 13-701643-14 bewezenverklaarde feit 1 opnieuw zal worden berecht en afgedaan teneinde hetzij het gewijsde te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan recht te doen en daarbij mede voor het onder parketnummer 13-701643-14 bewezenverklaarde feit 2 op de voet van art. 478, tweede lid, Sv de straf te bepalen.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 november 2018.