Belanghebbende en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo waren betrokken bij een geschil over de terugvordering van bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college had het recht op bijstand van een derde ingetrokken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met belanghebbende, waarop terugvordering volgde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat sprake was van gezamenlijke huishouding vanaf 1 mei 2010 en beperkte de terugvordering dienovereenkomstig. Belanghebbende stelde cassatie in tegen deze uitspraak, evenals het college incidenteel.
De Hoge Raad overwoog dat de Centrale Raad onvoldoende had vastgesteld of en vanaf welke datum belanghebbende en de derde hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Dit is essentieel voor de toepassing van artikel 3, lid 3, WWB. Daarom vernietigde de Hoge Raad de uitspraak en verwees de zaak terug naar de Centrale Raad voor nadere behandeling.
Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad het college in de proceskosten van het cassatieberoep en bepaalde dat het griffierecht aan belanghebbende wordt vergoed. De overige middelen werden verworpen omdat zij niet tot cassatie konden leiden.