Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
19 oktober 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het huwelijk nietig verklaard kon worden op grond van een geestvermogensstoornis ten tijde van de huwelijksluiting, zoals bedoeld in artikel 1:32 BW Pro, en of het ontbreken van goede trouw van de echtgenoot, zoals bedoeld in artikel 1:77 lid 2 onder Pro b BW, aan deze nietigheid in de weg stond.
De procedure begon bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, waarna het gerechtshof 's-Hertogenbosch een beschikking gaf die het geschil verder behandelde. De man stelde beroep in cassatie in tegen de beschikking van het hof, terwijl de jongste dochter verzocht het beroep te verwerpen. De overige belanghebbenden, waaronder de vrouw, de oudste dochter en de curator, namen geen verweer in cassatie.
De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden, mede omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Daarom werd het cassatieberoep verworpen.
Deze beschikking is op 19 oktober 2018 in het openbaar uitgesproken door de Hoge Raad, waarbij de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, T.H. Tanja-van den Broek en C.H. Sieburgh betrokken waren, en de uitspraak werd gedaan door M.V. Polak.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het huwelijk wordt niet nietig verklaard.