Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
13 februari 2018.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de rechtmatigheid van een blokmeting door een energiebedrijf en het daaropvolgende binnentreden in de woning van verdachte centraal. De politie had op verzoek van het energiebedrijf een blokmeting laten uitvoeren, waarna het vermoeden ontstond dat in de woning hennep werd geteeld.
Verdachte stelde dat voor de blokmeting een vordering a.b.i. artikel 126nd Sv vereist was en dat er geen redelijk vermoeden van schuld bestond bij het binnentreden in zijn woning, zoals vereist volgens artikel 27.1 Sv. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten falen. Er is geen vordering a.b.i. nodig voor een blokmeting op verzoek van de politie en het redelijk vermoeden van schuld was voldoende aanwezig ten tijde van het binnentreden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 13 februari 2018, waarbij de vice-president van Schendel als voorzitter fungeerde, samen met raadsheren Buruma en van Strien.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de rechtmatigheid van de blokmeting en het binnentreden in de woning van verdachte.