Belanghebbende heeft in hoger beroep geprocedeerd tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant over de aanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen voor het jaar 2007. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 21 december 2017 uitspraak gedaan, waartegen belanghebbende cassatieberoep heeft ingesteld bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft drie middelen van belanghebbende beoordeeld, maar deze middelen konden niet tot cassatie leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering vereist, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Het arrest is op 5 oktober 2018 in het openbaar gewezen door de raadsheren Fierstra, Wortel en Beukers-van Dooren.