ECLI:NL:HR:2018:1853

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 oktober 2018
Publicatiedatum
4 oktober 2018
Zaaknummer
18/01140
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland inzake een belastingaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2015. Voor het instellen van het cassatieberoep moest griffierecht worden betaald. Belanghebbende deed een beroep op betalingsonmacht en diende bewijsstukken in, waaronder een loonstrook en een overzicht van het AOW-pensioen van haar fiscale partner.

De griffier van de Hoge Raad wees het beroep op betalingsonmacht af omdat niet aan de criteria was voldaan. Belanghebbende werd meerdere malen schriftelijk gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en de termijn voor betaling. Ondanks herhaalde verzoeken werd het griffierecht niet voldaan.

De Hoge Raad stelde belanghebbende in de gelegenheid om redenen voor het niet tijdig betalen aan te voeren, maar deze waren onvoldoende om het verzuim op te heffen. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

5 oktober 2018
Nr. 18/01140
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Gelderlandvan 13 februari 2018, nr. AWB 17/2839, betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.
Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld door de griffier van de Hoge Raad (hierna: de griffier) heeft belanghebbende een verklaring omtrent afwezigheid van vermogen bij de Hoge Raad ingediend. Daarbij heeft zij gevoegd een afschrift van een loonstrook met betrekking tot de periode maart 2018, alsmede een overzicht van het in de maand april 2018 aan haar fiscale partner betaalde AOW‑pensioen.
Naar aanleiding van de door belanghebbende verstrekte gegevens is het beroep op betalingsonmacht bij brief van 1 mei 2018 afgewezen, omdat niet is voldaan aan de daarvoor geldende criteria. Tevens is in die brief meegedeeld dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk kan worden verklaard.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 31 mei 2018, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgehaald op de afhaallocatie, gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld.
Bij brief van 20 juni 2018 heeft belanghebbende haar beroep op betalingsonmacht herhaald. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 25 juni 2018 meegedeeld dat – indien een eerder gedaan beroep op betalingsonmacht is afgewezen - het niet mogelijk is in dezelfde procedure nogmaals een beroep op betalingsonmacht te doen. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 10 juli 2018 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Hetgeen belanghebbende in haar brief van 1 augustus 2018 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2018.