ECLI:NL:HR:2018:1835

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 oktober 2018
Publicatiedatum
3 oktober 2018
Zaaknummer
17/02754
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte wegens niet-indienen middelen cassatie

De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Echter heeft hij niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. De Advocaat-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring. De Hoge Raad oordeelde dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet was nageleefd, waardoor de verdachte niet in het beroep kon worden ontvangen.

De Hoge Raad verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep. Dit arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 9 oktober 2018.

Er werden geen inhoudelijke middelen van cassatie behandeld omdat deze niet waren ingediend. De procedure werd beëindigd met de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen van middelen van cassatie.

Uitspraak

9 oktober 2018
Strafkamer
nr. S 17/02754
AKA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 30 januari 2017, nummer 21/000568-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 oktober 2018.