Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
9 oktober 2018.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Echter heeft hij niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. De Advocaat-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring. De Hoge Raad oordeelde dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet was nageleefd, waardoor de verdachte niet in het beroep kon worden ontvangen.
De Hoge Raad verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep. Dit arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 9 oktober 2018.
Er werden geen inhoudelijke middelen van cassatie behandeld omdat deze niet waren ingediend. De procedure werd beëindigd met de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen van middelen van cassatie.