ECLI:NL:PHR:2018:826

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 augustus 2018
Publicatiedatum
25 juli 2018
Zaaknummer
17/02754
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 435 lid 1 SvArt. 437 lid 2 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-indienen middelen

De verdachte is bij arrest van 30 januari 2017 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met een verbod uit artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld. De aanzegging van het cassatieberoep vond plaats op 9 december 2017, waarna de termijn voor het indienen van cassatiemiddelen op 9 februari 2018 afliep.

Binnen deze termijn zijn geen schrifturen houdende cassatiemiddelen ingediend door de raadsman van de verdachte. De raadsman heeft bovendien per brief laten weten geen middelen te zullen indienen. Hierdoor voldoet het cassatieberoep niet aan de vereisten van artikel 437 lid 2 Sv Pro, waardoor de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt ertoe dat het cassatieberoep wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.

Conclusie

Nr. 17/02754
Zitting: 28 augustus 2018
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 30 januari 2017 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis.
Er bestaat samenhang met de zaak 17/02751. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte.
De aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv Pro is op 9 december 2017 betekend. De in art. 437 lid 2 Sv Pro gestelde termijn van twee maanden liep af op 9 februari 2018. Gedurende deze termijn is geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen. Overigens heeft de raadsman van de verdachte, mr. B. Tieman, advocaat te Utrecht, per brief van 5 februari 2018 aan de Hoge Raad laten weten dat hij in de onderhavige zaak geen cassatiemiddel zal indienen.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437 lid 2 Sv Pro niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG