Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 2 maart 2018, nr. SGR 17/1682 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 29 juni 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake verzet tegen een eerdere uitspraak. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep en concludeerde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden.
Na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. De uitspraak werd gedaan door raadsheer Wortel als voorzitter, samen met raadsheren Beukers-van Dooren en Cools, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2018.
Deze beslissing betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk is behandeld, en dat de eerdere uitspraak van de Rechtbank Den Haag in stand blijft. De procedure benadrukt het belang van ontvankelijkheid en belang bij cassatieberoepen in bestuursrechtelijke geschillen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.