Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
11 september 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan doodslag op Sint Maarten door het aanreiken van een wapen en het besturen van de vluchtauto. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie had hem hiervoor een gevangenisstraf van tien jaar opgelegd.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het vonnis uitsluitend wat betreft de duur van de straf, met vermindering daarvan, en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat het bewezenverklaarde 'tezamen en in vereniging' berust op een misslag, maar dat het Hof de verdachte terecht kon veroordelen voor medeplichtigheid tot dezelfde straf.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van tien naar negen jaar en zes maanden.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis uitsluitend wat betreft de strafduur, verminderde deze en verwierp het beroep voor het overige. Hiermee werd de straf gehandhaafd met een lichte vermindering wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot negen jaar en zes maanden wegens overschrijding redelijke termijn, veroordeling voor medeplichtigheid aan doodslag gehandhaafd.