Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
11 september 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen poging moord, poging doodslag, bedreiging, heling en overtreding van de Vuurwapenverordening 1930.
De verdachte was in voorlopige hechtenis en het cassatieberoep werd ingesteld tegen het vonnis van 29 juni 2016. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf, met vermindering daarvan, en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was. Wel werd ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Dit leidde tot de beslissing de opgelegde gevangenisstraf van achttien jaar te verminderen tot zeventien jaar en zes maanden. Het beroep werd verder verworpen en de rest van het vonnis bleef in stand.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 11 september 2018.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van achttien jaar naar zeventien jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.