Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
11 september 2018.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1986, had beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende gekwalificeerde diefstal. Echter heeft de verdachte niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman een schriftuur met middelen van cassatie ingediend, zoals vereist op grond van art. 437, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, met de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers. De uitspraak vond plaats tijdens een openbare terechtzitting op 11 september 2018.
De zaak betreft een strafrechtelijke procedure met betrekking tot art. 312 en Pro 43a Sr over gekwalificeerde diefstal. Er zijn geen inhoudelijke middelen van cassatie ingediend, waardoor de Hoge Raad niet aan de inhoudelijke beoordeling toekomt.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.