Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
11 september 2018.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Echter heeft de verdachte niet binnen de wettelijk gestelde termijn door een raadsman schriftelijke middelen van cassatie ingediend, zoals vereist volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en verklaart de verdachte niet-ontvankelijk. Hierdoor wordt het cassatieberoep niet inhoudelijk behandeld.
Het arrest is uitgesproken door de Strafkamer van de Hoge Raad op 11 september 2018, waarbij de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers aanwezig waren. De uitspraak bevestigt het belang van het naleven van procesrechtelijke termijnen in cassatieprocedures.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.