Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beslissing
4 september 2018.
Hoge Raad
Op 26 juli 2015 drong de verdachte via inklimming door een dakkoepel een pand bestaande uit een restaurant met bovenwoning te Nijmegen binnen. Hij pakte een laptop, sieraden en een oplader van een mobiele telefoon en stopte deze in een tas die hij bij zich had. Deze tas werd later open aangetroffen op een bank in het restaurant.
De verdachte werd vervolgd voor diefstal met braak, waarbij het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de verdachte zich een zodanige feitelijke heerschappij over de goederen had verschaft dat de wegneming als voltooid kon worden beschouwd. De verdediging voerde aan dat de diefstal niet voltooid was omdat de tas open lag en de goederen niet volledig aan het zicht waren onttrokken.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en herhaalde de criteria uit eerdere jurisprudentie dat voor voltooiing van diefstal vereist is dat de dader feitelijke heerschappij over het goed heeft verkregen of het zodanig aan de rechthebbende heeft onttrokken dat de wegneming als voltooid geldt. Het beroep van de verdachte werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verdachte zich feitelijke heerschappij over de goederen heeft verschaft en de diefstal als voltooid geldt.