Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 12 juli 2017, waarin het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag werd behandeld over een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door het College van burgemeester en wethouders van Leiden.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van het College, de conclusie van repliek van belanghebbende en de conclusie van dupliek van het College. Na beoordeling concludeerde de Hoge Raad dat de voorgestelde middelen niet tot cassatie konden leiden. Volgens artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie behoefde dit geen nadere motivering, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd gewezen door raadsheer J. Wortel als voorzitter, en raadsheren Th. Groeneveld en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2018.