Belanghebbende uit België stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 15 juni 2017, waarin het hoger beroep werd behandeld tegen een beschikking van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Deze beschikking betrof een besluit op grond van artikel 8a, lid 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit was omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep en de klachten niet tot cassatie konden leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Het arrest werd op 2 februari 2018 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.