ECLI:NL:HR:2018:1205

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2018
Publicatiedatum
12 juli 2018
Zaaknummer
18/01321
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 285 lid 1 Fw
Verwijzingen
5 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek schuldsaneringsregeling afgewezen wegens ontbreken verklaring buitengerechtelijke schuldregeling

In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van verzoeker verworpen tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag waarin het verzoek tot schuldsaneringsregeling werd afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op het ontbreken van een verklaring omtrent de mogelijkheid van een buitengerechtelijke schuldregeling, zoals vereist op grond van artikel 285 lid 1 van Pro de Faillissementswet.

Verzoeker klaagde onder meer over een schending van het recht op hoor en wederhoor, maar de Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering was geen nadere motivering vereist omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.

De Hoge Raad bevestigde daarmee de eerdere beslissingen van de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag. Het arrest van het hof werd aan het arrest gehecht en maakte integraal onderdeel uit van de beoordeling.

De uitspraak werd gedaan door de raadsheren Van Buchem-Spapens (voorzitter), Polak en Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door Tanja-van den Broek op 13 juli 2018.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van het verzoek tot schuldsaneringsregeling wegens ontbreken van de vereiste verklaring.

Uitspraak

13 juli 2018
Eerste Kamer
18/01321
LZ/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. R.W. Keus.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/10/523545/FT EA 17/665 van de rechtbank Rotterdam van 21 september 2017;
b. het arrest in de zaak 200.224.197/01 van het gerechtshof Den Haag van 20 maart 2018.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
13 juli 2018.