Belanghebbende verkocht in 2000 landbouwgrond met een nabetalingsregeling gekoppeld aan bestemmingswijzigingen. In 2003 sloten belanghebbende en de Inspecteur een vaststellingsovereenkomst (vso) over de toepassing van de landbouwvrijstelling op de verkoopwinst, waarbij werd uitgegaan van de oude landbouwvrijstelling die gold vóór 27 juni 2000.
In 2010 waardeerde belanghebbende het nabetalingsrecht af en bracht deze afwaardering ten laste van de winst. Het geschil betrof of deze afwaardering onder de oude of de nieuwe landbouwvrijstelling viel. Het hof oordeelde dat de oude landbouwvrijstelling van toepassing was, omdat partijen dat in de vso zo hadden vastgelegd.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. Het hof had de vso juist uitgelegd als een afspraak dat de oude landbouwvrijstelling zou gelden voor de verkooptransactie. De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel niet onbegrijpelijk is en dat het arrest BNB 2016/180 niet meebrengt dat de nieuwe landbouwvrijstelling van toepassing is op de waardevermindering van het nabetalingsrecht.
De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor proceskostenveroordeling en verklaart het beroep in cassatie ongegrond.