ECLI:NL:HR:2018:1198

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2018
Publicatiedatum
11 juli 2018
Zaaknummer
17/03229
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt opschortingsrecht leverancier bij wanbetaling afnemer

In deze zaak stond het opschortingsrecht van een leverancier centraal die haar leveringsverplichtingen opschortte wegens wanbetaling door de afnemer. De zaak werd behandeld door de rechtbank Den Haag en het gerechtshof Den Haag, waarvan het arrest aan het Hoge Raad arrest was gehecht.

Eiseres stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof, waarin het hof haar vordering had afgewezen. Verweerster voerde verweer en het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de Advocaat-Generaal, adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van eiseres niet tot cassatie konden leiden en dat er geen aanleiding was tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd verworpen en eiseres werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en het opschortingsrecht van de leverancier bevestigd.

Uitspraak

13 juli 2018
Eerste Kamer
17/03229
TT/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats], België,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. C. Reijntjes-Wendenburg,
t e g e n
[verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.S. van der Keur.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/09/482555/HA ZA 15-164 van de rechtbank Den Haag van 8 april 2015 en 16 september 2015;
b. het arrest in de zaak 200.180.414/01 van het gerechtshof Den Haag van 11 april 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerster] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [verweerster] toegelicht door haar advocaat en mede door mr. D.M. de Knijff.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 854,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseres] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
13 juli 2018.