Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het vierde middel
3.Beoordeling van het vijfde middel
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Slotsom
6.Beslissing
10 juli 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte in een jeugdzaak betreffende een reeks (pogingen tot) woninginbraken in Rotterdam. Het beroep richtte zich op de bewezenverklaringen van twee feiten: een woninginbraak met diefstal en een poging tot woninginbraak.
De bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde feit, waarbij verdachte samen met anderen door middel van braak goederen uit een woning heeft weggenomen, kon niet zonder meer worden afgeleid uit de gebruikte bewijsmiddelen. Eveneens was de bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde feit, de poging tot woninginbraak, onvoldoende gemotiveerd op basis van het bewijsmateriaal.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Gerechtshof Den Haag voor zover het deze feiten en de strafoplegging betrof, en verwees de zaak terug voor hernieuwde berechting. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen. De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering van bewezenverklaringen in strafzaken.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt deels arrest en wijst zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering bewezenverklaringen.