ECLI:NL:HR:2018:115

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2018
Publicatiedatum
30 januari 2018
Zaaknummer
16/04492
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRMArt. 242 SrArt. 246 Sr
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in verkrachtingszaak

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor verkrachting en ontuchtige handelingen door zijn positie als stiefvader. In cassatie stelde hij onder meer dat het recht op een eerlijk proces was geschonden doordat inbeslaggenomen kledingstukken waren vernietigd en voerde hij een betrouwbaarheidsverweer tegen de verklaring van de aangeefster.

De Hoge Raad oordeelde dat het middel over de vernietigde kledingstukken en het betrouwbaarheidsverweer niet tot cassatie kon leiden en dat deze geen nadere motivering behoefden. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden.

Hierdoor werd de opgelegde gevangenisstraf van twintig maanden verminderd tot negentien maanden. De overige middelen van cassatie werden verworpen. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en bevestigde het oordeel voor het overige.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, en is gepubliceerd op 30 januari 2018.

Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd van twintig naar negentien maanden wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase.

Uitspraak

30 januari 2018
Strafkamer
nr. S 16/04492
MTI/SA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 augustus 2016, nummer 20/000659-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het derde middel

2.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
2.2.
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twintig maanden.

3.Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze negentien maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers enM.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 januari 2018.